Vpb: Onrust over fiscale inbrengwaarden en rentelasten grondbedrijf

18 november 2021

Vanuit de Belastingdienst ontvangen wij in lopende discussies steeds duidelijkere signalen dat de inbrengwaarden van gronden of grondexploitaties die na 1 januari 2017 zijn ingebracht in het belaste grondbedrijf ter discussie gaan komen te staan. Dit heeft een groot effect op de Vpb voor gemeenten met belaste grondbedrijven, zowel voor grondbedrijven mét als zonder de VSO. 

Discussie inbrengwaardes gronden en grondexploitaties

Vanuit de Belastingdienst ontvangen wij in lopende discussies steeds duidelijkere signaleren dat de inbrengwaardes van gronden of grondexploitaties die na 1 januari 2017 zijn ingebracht in het grondbedrijf ter discussie gaan komen. Dit geldt ook wanneer de vaststellingsovereenkomst grondbedrijf (VSO) is getekend. Deze discussie lijkt ook door te werken naar gemeenten die na 1 januari 2017 door de poort gaan met het grondbedrijf.

In de praktijk

In de praktijk zien wij dat veel gemeenten bij de inbreng van nieuwe grondexploitaties in het belaste grondbedrijf nog steeds de disconteringsvoet van 3,36% (silo 1) hanteren of een taxatie. Hierbij wordt veelal de berekende of getaxeerde (inbreng)waarde als verwerving geboekt, waarna de ingebrachte grond conform silo 2 verder wordt verwerkt tegen de gemeentelijke balansverhoudingen en de gemeentelijke rente. Hiermee wordt een stabiele lijn gekozen, dicht bij de kaders van de VSO, waarbij de inbrengwaarde wordt berekend en een beperkte rentelast ontstaat op basis van silo 2.

Interne standpuntinname

Deze werkwijze staat in brede zin ter discussie. De Belastingdienst is bezig met een interne standpuntinname over alles wat na 1 januari 2017 door de poort komt. Hierbij valt op dat de Belastingdienst sterk afstand neemt van de ‘te voordelige VSO’. Er komt mogelijk een 3e systematiek van rentetoerekening, waarbij in ieder geval een lagere toerekening van vreemd vermogen aan de orde lijkt in combinatie met lagere rentelasten en een significante verhoging (=verslechtering) van de disconteringsvoet bij door de poort komende grondposities/grondbedrijven. 

Samenvattend

Al met al lijkt de insteek dus te worden dat gemeenten aanzienlijk ongunstiger af gaan zijn dan bij de VSO, maar ook ongunstiger dan de tot nog toe gebruikelijk ingenomen standpunten bij inbreng. Als dit met terugwerkende kracht (net als bij eerdere dossiers in de Vpb) het standpunt van de Belastingdienst wordt, zullen wederom discussies en omvangrijke correctieronden van eerdere aangiften te verwachten zijn. Hierbij is de verwachting dat de correcties voor gemeenten nadelig zullen zijn. Vanuit die optiek is onze hoop dat de dossiers van oudere aangiften buiten beschouwing blijven bij eventuele discussie. Het lijkt niet consistent om gemeenten met vergelijkbare situaties achteraf over oude aangiften met aanzienlijk slechtere voorwaarden te confronteren dan dat deze in 2016 gangbaar waren omdat nu andere uitgangspunten voor de berekeningen worden genomen. Wij verwachten in de loop van 2022 meer duidelijkheid en informeren u dan nader.

Meer weten?

Mocht u naar aanleiding van dit bericht vragen hebben, neem dan gerust contact op met één van onze Vpb-specialisten. 

Dido Westrik
Specialist Vennootschapsbelasting (grondbedrijven), Expert DHT/TCF

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *